Mongoolse kunst

De Cuser Collectie - Mongoolse kunst
Collectie van Jan Brummelhuis

tekst Surya Rutten

Jan Brummelhuis (1935-2006) was naast notaris in Amsterdam, Honorair Consul van Mongolië en mecenas van de kunsten. Als voorzitter voor de Cobra kunstprijs, VSB Poëzieprijs, The International Holland Music Sessions, bestuurslid van het Orkest van het Oosten en het Film Festival, was hij geen onbekende in het kunstcircuit. Zijn passie voor kunst beperkte zich niet tot de kunsten van het Westen. Nadat Brummelhuis in september 1995 benoemd werd tot Honorair Consul van Mongolië begon hij met de aanleg van een veelzijdige en bijzondere collectie van kunstschatten uit Mongolië.

De heer Brummelhuis heeft zich niet alleen ingezet om Mongolië op de kaart te zetten, maar ook gaf hij jong talent de kans om zich te ontwikkelen door de Mongoliëprijs in het leven te roepen. Door sponsering van de heer Brummelhuis zijn onder andere een aantal interessante fotoprojecten tot stand gekomen. Zijn collectie bestaat uit ongeveer honderd objecten en omvat zowel moderne kunst, fotografie als antiek; gebruiksvoorwerpen en schilderingen.

In de jaren twintig reisden een aantal ontdekkingsreizigers rond in Mongolië. Zij verzamelden talrijke kunstschatten en brachten alles mee naar Europa. Zo zijn een hoop dingen bewaard gebleven en uiteindelijk op de kunstmarkt terechtgekomen. Desalniettemin is er maar weinig bekend over de kunst uit Mongolië. De Cuser Collectie, genoemd naar de Cuserstraat in Amsterdam waar het consultaat gevestigd was, brengt door zijn brede opzet de verschillende facetten van de Mongoolse cultuur goed in beeld en is daardoor van onschatbare waarde. In dit artikel bespreek ik enkele uitzonderlijke stukken. 

Mongolië
Het huidige Mongolië grenst aan China en de voormalige Sovjet Unie. De eerste Mongoolse staat werd in 209 voor Christus uitgeroepen door de Hunnen. Het rijk viel in 98 na Christus uit elkaar. Tot 1200 bestonden er verschillende kleine rijkjes die in 1189 verenigd werden door Genghis Khan in het Groot Mongoolse Keizerrijk. In 1368 viel ook dit rijk uiteen, omdat de leider van de Mongoolse Yuan dynastie Beijing als nieuwe hoofdstad had uitgeroepen. In 1691 veroverden de Manchu uit China het land, zij zouden tot het begin van de 20e eeuw de macht hebben. In december 1910 wist Mongolië onder leiding van Bogd Khan een belangrijke Boeddhistische Lama (abt) zich af te scheiden van het Manchurijk. Deze onafhankelijkheid zou niet lang duren. Op 11 juli 1921 vond de socialistische revolutie plaats en in 1924 werd Mongolië een 'Peoples Republic' onder de Sovjet vlag. Door de nauwe banden met de Sovjet Unie viel het communistische regime in Mongolië tegelijk met het Ijzeren Gordijn in 1990. Sinds 1992 heeft Mongolië een democratisch gekozen regering.

Boeddhisme
In 1073 werd het Sakya klooster in Tibet gesticht en in de daarop volgende tijd wisten de Sakya Lama’s steeds meer macht te verkrijgen. De Mongolen, die in die tijd grote delen van Azië en Europa veroverd hadden, vielen ook Tibet binnen. In 1247 wist Sakya Pandita, de leider van het Sakya klooster zoveel invloed uit te oefenen op de bevelhebber van de Mongolen Godan Khan, dat hij uiteindelijk benoemd werd tot diens vertegenwoordiger in Tibet.

Officieel viel Tibet nog onder het bestuur van de Mongolen, maar door de benoeming van Sakya Pandita bleef het land in praktijk een onafhankelijke staat. De zoon van Godan Khan, Kublai Khan bekeerde zich tot het Boeddhisme en daarmee werd het Boeddhisme ook de hoofdgodsdienst van de Mongolen.

In 1270 vielen de Mongolen China binnen en richtten de Yuan dynastie op. Geleidelijk verloren de Yuans de grip op Mongolië en in 1368 werden zij verslagen door de Ming. Het Mongoolse rijk viel in tweeën uiteen. Het Boeddhisme is in deze periode vooral nog een aangelegenheid van de gegoede burgerij en de adel. Toch begon men al met de bouw van de eerste kloosters. Traditionele Mongolen aanbaden de hemel (heldere blauwe lucht), hun voorvaderen en maakten nog gebruik van oeroude Noord-Aziatische, Sjamanistische rituelen. Bij deze rituelen werden menselijke tussenpersonen in trance gebracht. Zo konden ze uit naam van de geesten en goden spreken.

In de 16e eeuw gebruikt Altai Khan het Boeddhisme om alle Mongolen te verenigen. Hij liet kloosters bouwen op belangrijke heilige Sjamanistische plaatsen en monniken namen geleidelijk de taken van de Sjamaan over. Dit heeft ervoor gezorgd dat het Mongools Boeddhisme, al is het grotendeels vergelijkbaar met het Tibetaanse Boeddhisme, zijn eigen gebruiken en karakter kreeg. Doordat het merendeel van de bevolking op de steppe woonde en een nomadisch bestaan leidde waren beschermgoden voor de familie en het vee van groot belang. In 1921, onder invloed van de Sovjet Unie, werden alle vormen van religie verboden; uiteindelijk zal dit leiden tot de verwoesting van meer dan 700 kloosters en het uitmoorden van tienduizenden monniken. In 1990, na de val van het Ijzeren Gordijn, werd het Boeddhisme geherïntroduceerd in Mongolië.

Reisaltaar
Door het rondtrekkende bestaan van de nomaden ging men de vorm en maat van religieuze objecten aanpassen. Gebruiksvoorwerpen moesten makkelijk te vervoeren zijn en niet te veel ruimte innemen in de Yurd (traditionele tent) waar men met de hele familie in woonde; hier werd gekookt en hier was ook het altaar. Het reisaltaar is een voorbeeld van zo'n mooi maar vooral praktisch gebruiksvoorwerp.

In de Cuser Collectie bevinden zich een aantal van deze reisaltaren. (foto 1) Dit kleine reisaltaar bestaat uit een houten doosje waarin een Tsa-Tsa (kleitablet) gemonteerd zit. De schuifdeksel is jammer genoeg verloren gegaan, maar het tablet is goed bewaard gebleven. Op dit tablet staan een aantal belangrijke goden afgebeeld. Centraal staat de Stupa, een bouwwerk waarin de achtarmige, elfhoofdige Avalokiteshvara staat afgebeeld. Links van de Stupa staan drie figuren afgebeeld. Van boven naar beneden zijn dit: Amitayus, Ushnishavijaya en de Witte Tara of Sitatara. Onderaan van links naar rechts staan: Vajrapani, Kubera en Hayagriva. Aan de rechter kant van de Stupa staan van onder naar boven: De Groene Tara (ook wel Syamatara), Sitatapatra en Padmasambhava. De hoogte van dit kleinood is 13,5 cm, de breedte 9,3 cm. Het is dus een mini altaar met een beschermende functie voor de eigenaar en zijn familie, dat men makkelijk met zich mee kon dragen.

Avalokiteshvara is de beschermpatroon van Tibet. Hij is het die de levende wezens begeleidt naar de verlichting. Amitayus, Ushnishavijaya en de Witte Tara vormen hier een drie-eenheid waarin zij de betekenis van 'Goden van het Lang Leven' uitdragen. Als ze los worden afgebeeld hebben ze een andere functie. De Witte Tara is ook de beschermgodin van Mongolië. Vajrapani beschermt tegen demonen. Kubera is de god van de rijkdom en Hayagriva is de beschermer van de paarden en de paardenhandelaren en daarom van groot belang voor de nomaden. Hij is te onderscheiden door een klein paardenhoofdje dat hij in zijn haardos draagt. De Groene Tara is de beschermgodin van Tibet en het vrouwelijke in de goddelijke energie. Sitapatra is de verwoester van de boze geesten en de beschermer van de gelovigen. Padmasambhava is de bestrijder van de vijanden van de Boeddhistische leer en de oprichter van de Nyingmapa orde.

Reisaltaren komen in verschillende vormen voor. Ze kunnen als sieraad gedragen worden zoals het kleine koperen doosje waarin een raampje zit met daarachter een schildering van Boeddha Sakyamnuni (foto 2). Dit is de oudste vorm van de Boeddha, de Boeddha van Compassie, die alle levende wezens de weg naar de verlichting wijst. Hij zit in de meditatiehouding op een lotustroon; in zijn linkerhand houdt hij een bedelnap en met zijn rechterhand roept hij de aarde op als getuige, dit is de Bhumishsparsha mudra (handhouding). Het doosje wordt aan een koord om de nek gedragen. Dergelijke doosjes dienen als persoonlijke bescherming.
 
Een heel bijzonder altaar is dit Knekel paleis van Palden Lhamo (foto 3). Dit altaar is gemaakt als een soort kijkdoos met aan vier kanten een raampje. Binnen in de doos staat het 'knekel paleis'. Dit bouwwerk is gemaakt uit beenderen en skeletten van klei. Hout en koperplaat zijn gebruikt om de details uit te werken. Centraal in het paleis staat de godin Palden Lhamo, afgebeeld op haar muilezel boven een zee van bloed. Zij wordt omgeven door vlammen. In haar rechterhand houdt zij een knots en in haar linkerhand een schedelkom gevuld met bloed. Zij wordt vergezeld door haar companen de Dakini’s, Simhavaktra met de leeuwenkop en Makaravaktra met het watermonsterhoofd. Tussen hen in staan drie Torma’s (dit zijn van gekleurde boter gemaakte bouwwerken die als offergaven dienden) ze zijn hier gemaakt van beschilderd koper en hout. Links en rechts boven het paleis zweven de Groene Tara en de Witte Tara. De godin Palden Lhamo is één van de belangrijkste beschermgoden binnen het Tantrisch Boeddhisme.

Kloosterkunst
Natuurlijk had men ook kloosterkunst in Mongolië, veel hiervan is verwoest tijdens het Russische Communistische bewind in de jaren '30. De dingen die zijn overgebleven verdienen zeker de aandacht.

Allereerst is er een verguld beeld van Amitayus met een wel heel bijzonder verhaal (foto 4). Het beeld van Amitayus is er één van een grote groep van duizend beelden die in opdracht gemaakt werden als 1000-delig offer voor de onafhankelijkheid van Mongolië in 1912. De beelden werden waarschijnlijk gemaakt voor het Megzid Janraiseg klooster in Ulaanbaatar, dat ter ere van de onafhankelijkheid gebouwd werd. De ontstaansgeschiedenis van deze beelden is bijzonder. Ambachtslieden kwamen doorgaans uit China. Na de Manchu overheersing was het ondenkbaar om een Chinees de opdracht te geven om deze beelden te vervaardigen. Na wat omzwervingen kwamen de opdrachtgevers uit bij een klokkenfabriek in het Poolse Gdansk. Daar werden de duizend beelden gegoten.

Bijna alle beelden zijn kapot geslagen in de jaren dertig, slechts een paar konden worden gered. Dit is een van die beelden. Amitayus is de Bodhisattva vorm van Boeddha Amithabha. Een Bodhisattva is een verlichte geest die ervoor gekozen heeft op aarde te blijven om de levende wezens te helpen om de verlichting te bereiken. Amitayus is de Bodhisattva van de wijsheid en het eeuwige leven.

Net als in de Tibetaanse kloosters had men in Mongolië Thangka’s, rolschilderingen die rondom de gebedsruimte werden opgehangen met daarop belangrijke heiligen. Een mooi voorbeeld is de schildering van Vaishravena in zijn originele omlijsting van Chinese zijde en brokaat (foto 5). Vaishravena is een verschijningsvorm van Jambhala, de god van de Rijkdom en voorspoed. Hij zit op zijn rijdier de sneeuwleeuw en is te herkennen aan de juwelen spugende mangoeste die hij in zijn rechterhand houdt. Vaishravena is een van de Lokapala’s, de goden van de vijf richtingen van het heelal. Vaisravena is de beschermgod van het Noorden en heel belangrijk binnen de Mongoolse cultuur omdat Mongolië ten opzichte van Tibet noordelijker ligt. Boven Vaishravena is een gouden Vajrapani afgebeeld, ook hier heeft hij de functie van beschermer.

Een ander pronkstuk uit de collectie is deze Groene Tara van zilver (foto 6). Hoogstwaarschijnlijk is dit een exemplaar uit de school van Zanabazar. Typerend voor deze stijl zijn de plat vormgegeven kroon en lotussen in combinatie met de scherpe gelaatstrekken en de uitgewerkte lotustroon met parelrand.

Tara is sanskrit en betekent letterlijk ‘oversteken’. De Groene Tara helpt alle levende wezens met het oversteken van de ‘zee van het bestaan’ (Samsara). Haar linkerhand houdt zij in de wenkende houding (Abhayamudra) haar rechterhand in de zegengevende houding (Varadamudra). In beide handen heeft ze een blauwe lotus (Utpala), het symbool voor reinheid en macht. Zij zit in halfgesloten Ardhaparyanka houding op een lotustroon, met haar rechtervoet op een lotusvoetstuk (Karnikapitha).

Buiten de traditioneel geschilderde Thangka vervaardigde men in Mongolië doeken die volledig geborduurd zijn met verschillende kleuren zijde. Dit soort kostbare stukken waren giften van welgestelde boeddhisten aan het klooster. Dit is zo’n geborduurd doek uit de 19e eeuw met daarop een Groene Tara (foto 7).  

Ten slotte wil ik nog twee voorwerpen onder uw aandacht brengen. Een vuurslagset aan een traditionele ceintuurbevestiging met een pijpenstopper (foto 8) en een heel zeldzaam reisdocument waarin Catharina de Grote toestemming verleent om vrij rond te reizen in het Russische rijk. Het is gemaakt van textiel en gedecoreerd met Russische en Boeddhistische symbolen (foto 9).

De met zorg samengestelde collectie geeft door zijn grote diversiteit een goed beeld van de rijke Mongoolse cultuur. De collectie van de heer Brummelhuis is onlangs in het kader van een verkooptentoonstelling, in zijn geheel gecatalogiseerd. Dit naslagwerk is te verkrijgen bij Kunsthandel Paul Rutten, Asiatic and Tribal Art aan de Keizersgracht 574 in Amsterdam.

Beschrijvingen bij de foto’s:

Foto 1 Reisaltaar met daarin een Tsa Tsa, 18e eeuw
Foto 2 Reisaltaar amulet met daarin een Tsagli met Boeddha Sakyamuni, 19e eeuw
Foto 3 Reisaltaar ‘Knekelpaleis’ van Palden Lhamo, 19e eeuw
Foto 4 Amitayus, 1912
Foto 5 Thangka Vaishravena, 18e eeuw
Foto 6 Zilveren Tara, 19e eeuw
Foto 7 Thangka Tara, geborduurd, 19e eeuw
Foto 8 Vuurslagset, 19e eeuw
Foto 9 ‘Reisdocument’ Catharina de Grote,19e eeuw

 

« Back to home